2024-08-21
Breinontwikkeling
Het brein
Tijdens de zwangerschap ontwikkelen de hersenen van de foetus zich al vanaf de eerste weken. Wanneer het kind geboren is, heeft het al een bijna volgroeid brein met miljarden hersenverbindingen.
Alle impulsen die we nodig hebben om te overleven zijn bij het pasgeboren kind al ontwikkeld: consistente hartslag, ademhaling, het aangeven van basisbehoeftes zoals honger, moeheid, vecht of vlucht reactie, emoties en de regulatie van beweging.
Ook de grote hersenen (de cortex) is al voor een groot deel ontwikkeld. Dit deel is onderverdeeld in verschillende gebieden met ieder hun eigen verantwoordelijkheid. De delen werken veel samen. Taken die hieronder vallen zijn onder andere: ruimtelijk inzicht, kijken, voelen en het sturen van motorische beweging.
Het deel wat nog niet volledig is ontwikkeld, is de frontale kwab, de prefrontale cortex.
Dit deel zorgt voor samenwerking tussen de andere hersendelen en wat de verantwoordelijkheid over de zelfbeheersing voor zijn rekening neemt. Dankzij de frontale kwab kunnen we inschatten welk gevolg ons gedrag heeft en kunnen we onze impulsen beheersen.
Dit deel van het brein is pas met ongeveer 25-30 jaar volledig ontwikkeld.
Het is belangrijk om rekening te houden met de onderontwikkelde frontale kwab wanneer we het over de ontwikkeling van kinderen hebben. In dit deel van het brein liggen ook de executieve functies: plannen, taak initieren, motivatie, impulsbeheersing, werkgeheugen, emotieregulatie, flexibiliteit, aandacht bij de taak houden, op jezelf kunnen reflecteren.
Zeker in een schoolse context wordt veel beroep gedaan op de frontale kwab van de kinderen. Er wordt van ze verwacht dat ze lang hun aandacht bij een taak kunnen houden, snel van taak kunnen wisselen, gemotiveerd zijn, op eigen handelen kunnen reflecteren en vooral ook hun impulsen beheersen.
Wanneer het kind in de basisbehoeften vervult is, gaat de hersenontwikkeling vrijwel vanzelf. Belangrijke factoren zijn: direct reageren op hongersignalen, warmte en een veilig, geborgen gevoel.
Een kind dat (langdurig) blootgesteld wordt aan stress, wanneer eerder genoemde behoeftes niet vervuld worden, maakt veel cortisol (stresshormoon) aan. Hierdoor wordt de hersenontwikkeling geremd. Belangrijke delen van het brein kunnen dan onderontwikkeld blijven, waardoor de functies later in het leven belemmerend kunnen worden (denk bijvoorbeeld aan emotieregulatie of geheugen).
Het jonge kind voelt in zijn lijf op welke manier het beste de wereld om zich heen kan ontdekken. Bij het jonge kind gaat de ontwikkeling van motorisch/ervaren steeds meer naar redeneren. Jonge kinderen leren heel veel door de mensen om hen heen te observeren en vervolgens met die vaardigheden te experimenteren. Veel jonge kinderen willen dezelfde taken doen als hun ouders. Helpen met koken bijvoorbeeld. Het is belangrijk kinderen hier (binnen veilige kaders) in mee te nemen.
Het kind wordt zich steeds meer bewust van zijn eigen lichaam en het onderscheid tussen het ‘ik’ en het ‘zij’. Ze hebben behoefte aan autonomie, eigen beslissingen maken.
Het gevoel van autonomie, competentie (iets zelf kunnen doen) en relatie blijven de gehele ontwikkeling belangrijke behoeften. Als verzorgers is het een belangrijke taak te investeren in deze aspecten. Wanneer het kind bij één of meerdere van de aspecten het gevoel heeft te ‘falen’, kan woede/frustratie/verdriet ontstaan. Vanwege de onderontwikkelde frontale kwab kan het kind deze emoties nog niet goed reguleren.
Het brein ontwikkelt vaardigheden door ze te beoefenen. Door iets voor het eerst te doen, wordt er een neurologische verbinding gemaakt. Deze verbinding is eerst te vergelijken met een bospad. Het is nog niet heel opvallend en er kan nog gemakkelijk naast het pad gelopen worden. Hoe vaker de vaardigheid geoefend wordt (en positief bekrachtigd wordt), hoe sterker het pad wordt. Op een gegeven moment wordt het pad een grote snelweg, en gaat de vaardigheid als vanzelf.
Om ervoor te zorgen dat het bospad steviger wordt, helpt het om de vaardigheid in verschillende contexten en op verschillende manieren te beoefenen. Op deze manier kan het netwerk van verbindingen vergroot worden. De vaardigheid blijft niet beperkt tot één context en één methode, maar wordt een geïntegreerd geheel.
Leerstijlen
Niet alleen is het handig om de neurologische verbinding te versterken, om de vaardigheid (of de kennis) op verschillende manieren te beoefenen, het is voor het kind noodzakelijk om in een schoolse context aanbod te krijgen op veel verschillende manieren. Niet ieder kind pikt een nieuwe vaardigheid, of nieuwe kennis goed op wanneer het maar op één manier aangeboden wordt.
Het is goed te zien wanneer kinderen in een vrije stituatie zelf mogen experimenteren met materiaal. De één haalt het direct uit elkaar om te kijken hoe het in elkaar zit (of om te kijken hoe snel het stuk gaat), de ander zoekt direct informatie over de werking van het materiaal, nog één probeert verschillende dingen met het materiaal, weer een ander zal afkijken wat de rest doet en dat nadoen, en de laatste zal vragen aan een expert (volwassene) wat de bedoeling precies is.
Verschillende theoretici hebben onderscheid gemaakt in verschillende leerstijlen. Een van de bekendste is de Meervoudige Intelligentie van Howard Gardner. Hij onderscheidt deze 8 leerstijlen:
1. taalknap,
2. rekenknap,
3. beeldknap,
4. muziekknap,
5. beweegknap,
6. natuurknap,
7. mensknap,
8. zelfknap.
Voor jonge kinderen is het belangrijk om zoveel mogelijk zintuigelijke ervaringen te koppelen aan kennis en vaardigheden, zodat de neurologische verbindingen in het brein als een stevig netwerk van snelwegen verankerd worden.
Mindset
Tijdens de ontwikkeling fungeert het brein ook als ‘spons’ van de omgeving. Wat er gezegd, gedaan en gevoeld wordt (als reactie op het gedrag van het kind) wordt direct opgeslagen in het brein. Een deel hiervan wordt opgeslagen in het onbewuste. Wanneer in deze fase het kind signalen oppikt dat het ‘vervelend’, ‘druk’, ‘impulsief’ is, zal dit opgeslagen worden als overtuiging/waarheid.
Hetzelfde geldt (gelukkig) ook voor positieve signalen. Wat belangrijk is om te weten: één negatieve opmerking staat gelijk aan vier positieve signalen. Het is voor verzorgers van groot belang bewust te zijn over hoe het zich voelt over het kind. Houd je eigen energie positief!
Deze signalen worden niet alleen opgepikt en opgeslagen door de hersenen (het hoofd-brein), maar ook het hart en de onderbuik. Hier liggen gelijksoortige cellen als in de hersenen.
Het onbewuste brein speelt ook een hele grote rol in de ontwikkeling van het kind. In het onbewuste deel van je brein ligt het filter wat bepaald wat belangrijk genoeg is om in je bewuste brein te verwerken. Van de 11 miljoen bits die per seconde binnenkomen, komen maar 126 je bewuste brein binnen, en zijn er maar 9 tot 11 bits waar wij direct iets mee doen. Welke 126 bits binnenkomen wordt bepaald door het filter wat jouw onbewuste brein hanteert. Een groot deel van dit filter is een natuurlijk filter wat onbelangrijke informatie buiten bewustzijn laat (bijvoorbeeld het zien van je eigen neus).
Wanneer het onbewuste brein een overtuiging heeft gemaakt, bijvoorbeeld dat jij niet lenig bent, zal het filter zorgen dat jouw bewuste brein daar bevestigingen van krijgt.
Negatieve overtuigingen zijn belemmerend voor de ontwikkeling.
Daarom is het belangrijk deze onbewuste overtuigingen bewust te maken, zodat ze aangepast kunnen worden. Een positieve mindset helpt het onbewuste filter te focussen op positieve bekrachtigingen.
Wanneer een belemmerende overtuiging al meerdere malen bekrachtigd is door het bewuste brein, is het lastig om te buigen met alleen een positieve mindset. Door de neurologische verbinding te herprogrammeren met behulp van NLP wordt er een duurzame verandering teweeggebracht.
Leerkuil
Kinderen zijn van nature nieuwsgierige wezens. Zij hebben een innerlijk verlangen om de wereld om hen heen te begrijpen en eigen te maken. Dit natuurlijk leervermogen is cruciaal om te overleven in de maatschappij waarin zij zich later staande moeten houden.
Onze maatschappij is echter niet ingericht om de ontwikkeling van kinderen op hun eigen tijd en tempo te faciliteren.
Wanneer kinderen te jong worden geforceerd om zich vaardigheden en kennis eigen te maken, resulteert dit in een verstoorde ontwikkeling. Het gevoel van autonomie (eigen keuzes maken) en competentie (een taak zelfstandig kunnen uitvoeren) komen sterk in het gedrang, en in de meeste situaties is ook de relatie met de volwassene in die context niet veilig, warm en geborgen. De negatieve ervaring van het kind wordt opgelagen in het onbewuste brein als een overtuiging als “ik kan dit niet” of “ik ben niet goed genoeg”.
Dit gebeurt ook wanneer een kind structureel te weinig uitdaging krijgt (bij hoogbegaafde kinderen), of wanneer het aanbod niet aansluit bij de leerstrategie.
De overtuiging in het onbewuste brein zorgt voor een constante bevestiging van de overtuiging. Op den duur verliest het kind zijn nieuwsgierigheid en de impuls om te experimenteren.
Wanneer een kind dan een situatie tegenkomt waarbij het niet zeker weet of hij de vraag (van de leerkracht) bevredigend kan beantwoorden, zal het niet reageren of compenseren met ander gedrag (vluchten/vechten/bevriezen).
Om het kind toch door de weerstand heen te begeleiden is er een visueel beeld gemaakt van ‘de leerkuil’. Wanneer je iets voor het eerst doet, zal het niet gaan zoals jij het zou willen, dat komt omdat je het eerst moet oefenen. Je komt dan in de leerkuil terecht. Onderin de leerkuil kun je je gefrustreerd of zelfs wanhopig voelen. Je denkt dat het je nooit zal lukken. Wanneer je gereedschap inzet (bijvoorbeeld nog een keer proberen, iemand om hulp vragen, een andere manier bedenken) kun je uit de leerkuil komen. Wanneer je uit de leerkuil bent heb je een nieuwe vaardigheid succesvol beoefend en krijg je een bevredigend gevoel.
Door kinderen met dit instrument te begeleiden kan de weerstand voor leren en experimenteren verminderen en hopelijk zelfs helemaal verdwijnen.
Admin - 12:51:55 | Een opmerking toevoegen
Opmerking toevoegen
Fill out the form below to add your own comments